OPINIE: 1000 gevallen van “levensbeëindiging zonder verzoek” in Vlaanderen?

01-02-2018

Dutch text only

prof Kenneth Chambaere (VUB-UGent)Prof Luc Deliens (VUB-UGent)Door prof Luc Deliens en prof Kenneth Chambaere
VUB & UGent, Onderzoeksgroep Zorg rond het Levenseinde.

Afgelopen maandag was er commotie op het assisenproces tegen Ivo Poppe door de verklaring van een euthanasie-expert dat er in ons land nog elk jaar 1000 levens beëindigd worden zonder verzoek van de patiënt. Na deze uitspraak werden wij gecontacteerd door verscheidene journalisten met de vraag of het cijfer klopte, want er zou verwezen zijn naar ons onderzoek terzake. Als wetenschappers willen we de juiste context schetsen en juiste duiding geven bij dit aangehaalde cijfer.

De bewering van deze euthanasie-expert dat verpleegkundigen massaal levensbeëindigend handelen omdat artsen dit soms niet willen doen, kan niet worden gestaafd door wetenschappelijk onderzoek. Overigens is de euthanasiewet heel duidelijk op dit punt. Euthanasie kan alleen worden uitgevoerd door een arts en enkel wanneer de patiënt daar uitdrukkelijk om heeft gevraagd. Als er geen uitdrukkelijk verzoek is van de patiënt, of als een niet-arts dit zou uitgevoerd hebben, dan kan dit niet gekwalificeerd worden als euthanasie.

Waar komt dit cijfer van 1000 vandaan?  De VUB-UGent Onderzoeksgroep Zorg rond het Levenseinde voert regelmatig grootschalige studies uit die de frequentie meten van euthanasie en andere medische beslissingen aan het levenseinde in Vlaanderen.  Deze studies werden uitgevoerd bij steekproeven van duizenden overlijdens in 1998, 2001, 2007 en 2013. De cijfers worden verzameld via casusbevraging van de behandelende arts, die daarover geheel anoniem een vragenlijst invult. De vragen gaan over de beslissing van de arts om geneesmiddelen toe te dienen, behandelingen te stoppen of om behandelingen niet meer op te starten, over de intentie waarmee deze beslissing wordt uitgevoerd (is levensbeëindiging de intentie of niet de intentie), en over de besluitvorming (was er overleg met de patiënt, de familie, was er een uitdrukkelijk verzoek van de patiënt of niet, werden andere artsen geraadpleegd, etc). De antwoorden resulteren in een meting van hoe vaak de verschillende medische beslissingen aan het levenseinde voorkomen binnen de medische praktijk, maar niet hoe vaak dit voorkomt buiten de medische praktijk.

In de laatste studie uit 2013 gaf dit volgend resultaat over wat direct vooraf ging aan het overlijden: bij 48% van alle overlijdens in Vlaanderen gaat een medische beslissing met een mogelijk levensverkortend effect vooraf. Met andere woorden bijna 1 op 2 overlijdens is een overlijden met intensieve medische besluitvorming die het tijdstip van overlijden mogelijks beïnvloedt of zeker beïnvloedt. Levensbeëindiging zonder een uitdrukkelijk verzoek van de patiënt heeft een relatief klein aandeel in alle medische beslissingen aan het levenseinde in Vlaanderen:

  • 4.6% euthanasie, of ongeveer 2,830 patiënten per jaar
  • 0,05% hulp bij zelfdoding, of ongeveer bij 300 patiënten per jaar
  • 1,7% levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek, of ongeveer 1,000 patiënten per jaar
  • 17,2% stopzetten of niet opstarten van een behandeling, of ongeveer 10,500 patiënten per jaar
  • 24.2% opdrijven van de pijn- of symptoomcontrole, of ongeveer 15,000 patiënten per jaar
  • 12% continue sedatie tot aan het levenseinde of ongeveer 7,400 patiënten per jaar.

Levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek daalde ook sedert de euthanasiewet van 3,2% in 1998 tot 1,7% in 2013. Tot deze week dit cijfer opdook in het assisenproces, werd er in de media nooit aandacht gegeven aan deze medische beslissing aan het levenseinde. De aandacht in de media gaat veelal naar euthanasie.

Gaat het in deze gevallen om onvrijwillige doding of om intentionele doding? En hoe percipiëren de uitvoerende artsen deze handelingen? In de meeste van deze gevallen kwalificeren de uitvoerende artsen deze praktijk niet als levensbeëindiging, maar wel in termen van symptoomcontrole. In 68% worden de behandelingen beschouwd als “palliatieve sedatie” en in 20% als “symptoombehandeling”.

Een vergelijking van de gebruikte medicatie kan ons evenmin doen besluiten dat het gaat om levensbeëindiging. Vrijwel nooit werden euthanatica gebruikt; meestal gaat het om gebruik van morfine of andere opiaten, vergelijkbaar met het opdrijven van de pijn- en symptoomcontrole. Bovendien was er in meer dan tweederde van deze gevallen geen sprake van levensbeëindiging zonder verzoek omdat 1) de dosering van de medicatie onmogelijk de dood tot gevolgd kan hebben gehad of 2) er weldegelijk een verzoek tot levensbeëindiging was door de patiënt, maar dat niet voldeed aan de vereisten van de euthanasiewet, namelijk een verzoek dat uitdrukkelijk, actueel en op schrift gesteld is.

De 1000 gevallen die maandag in de media plots opdoken hebben niets te maken met het autonoom handelen van een verpleegkundige zonder betrokkenheid van een arts. Het cijfer uit ons onderzoek situeert zich enkel en alleen binnen een medische context in de arts-patiënt relatie. Voor de duidelijkheid, deze medische praktijk onderscheidt zich ook heel duidelijk van de euthanasiepraktijk; de 1000 gevallen kunnen moeilijk gekwalificeerd worden als doelbewuste vormen van levensbeëindiging. Wanneer men als euthanasie-expert in het hof van assissen wetenschappelijk onderbouwde uitspraken doet, kan men beter ook enige wetenschappelijke nuance aan de dag leggen.

 
Share this
Deel dit bericht